Zijn handen liggen op de leuning van de brug. Voor zijn geboorte was hier niets. Nu stroomt er water, schijnt er licht. Een jongen sluipt naar eendekuikens in het riet. Een schaatser legt zijn handen om een middel. Wat ooit gebeurde, is niet weg te denken. Wat niet is weg te denken, blijft gebeuren. De lucht is donker, achter kromme populieren
slaat de bliksem krakend in en brandt
een ogenblik een watermolen tot de grond toe af.
Hij kijkt en kijkt. Wie naast hem staat, ziet niets
van wat hij ziet gebeuren in een oogopslag, voelt niet
het koude water stijgen om zijn middel, de hitte
van de brand op zijn gezicht. Hoort niet
het ijs dat opensplijt en zingt, de schaatsers schrikken. In groeiend gras verdwijnen karresporen. Oude klokkeslagen
|
rollen over groene weiden uit de verte aan, omgehakte
bomen schieten langs de oever op tot in de hemel.
Nooit zal het nog gebeuren. Nooit zal het zo nog zijn
als hij voorgoed vanhier verdwijnt. Misschien dat op een dag een ander op de brug verschijnt
die zoals hij zijn handen op de leuning legt
en om zich kijkt. Die in een wei een boer ziet staan
die voor zijn paard zijn pet afneemt, het streelt, zich krabt. Die zilveren duiven zeilen ziet door het vallicht van
een naderend onweer. Maar dit, wasgoed wapperend tussen takken
zwaar van vruchten, bladeren kantelend in een lichte bries,
het water stromend door het dal, zo zal het nooit meer zijn gezien zonder hem
|