Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Arend Jan




S.T.B.E.T.B.V.F.G.I.H.M.B.

Geachte lezer,

Mijn naam is Arend-Jan Wittewaal van Stoetwegen en het is mij, als voorzitter van de S.T.B.E.T.B.V.F.G.I.H.M.B. (Stichting Tot Behoud En Ter Bevordering Van Folkloristische Gebruiken In Het Midden-Brabantse) een eer en een genoegen middels dit vlugschrift het woord tot u te kunnen richten.


Onlangs tijdens de plenaire vergadering bespraken wij welke folkloristische gebruiken er wel eens in het gedrang zouden kunnen komen, hetzij door desinteresse van het volk, hetzij door de voortschrijdende modernisering van onze samenleving. Voor de duidelijkheid, onze stichting zette zich reeds in voor het behoud van vele folkloristische gebruiken, waaronder het dwergwerpen en hanenkappen. Voorbeelden van alleraardigste tradities,waarbij de goemeente zich tegen geringe kosten mateloos amuseert.

Nu opperde een goede vrind van me, Roelof, tevens bestuurslid van de Heerensocieteit Omni Vanitas, het aloude carnaval aan een onderzoek te onderwerpen, hierbij opmerkend dat de stad Tilburg zich bij uitstek zou lenen voor een dergelijke navorsing, gezien het hoge aantal lager opgeleiden, hetwelk de feestvreugde aanzienlijk zou verhogen.

Nu zijn de leden van onze club niet vies van een goudgele rakker met een witschuimende kraag op zijn tijd, dus het voorstel werd met algemene stemmen aangenomen.

Onder luchtige scherts begaven wij ons, geheel volgens traditie uitgedost met boerenkiel, zwarte pet en rode sjaal, bijeengehouden door een luciferdoosje, naar het uitgaansgebied, waar het carnaval die avond zou losbarsten. Dhr. Ralph Welgeboren (notulist) had zijn bovenlip zelfs van een olijk snorretje voorzien.

Wij kozen café bar “Het Karrewiel” als startpunt voor onze kroegentocht.

Na zorgvuldig te zijn gefouilleerd door een dienstdoend sfeerbeheerder, betraden wij het etablissement. En juist toen wij goedgeluimd de polonaise wilden inzetten, werden wij vergast op liederen die klonken als; “Geil moet ze zijn” en”Surfen op de spermabaan”. Dit alles met een tempo dat onze polonaise in de kiem smoorde en op een aanzienlijk volume. “Laten wij vooraleest een alcoholische versnapering tot ons nemen” stelde Roderick, een goede vrind van me, voor. Wij besloten ons te laven aan de plaatselijke liqueur, de Schrobbelèèr, welke wij geserveerd kregen in beduimelde glaasjes.

“De gebruiken van het plebs blijven toch stuitend, nietwaar?”vroeg een onzer aan een rondborstige dame, die daarop antwoordde met een kreet als”Wellik?!” Kort daarop voegde zich een heer bij het gezelschap die zich voorstelde als Ferry van de Z. Zijn uitlatingen zal ik hier fonetisch trachten weer te geven. “Meej oew gathaande van men wèèf aafblèève gij, verrekte natsjaak!” riep hij, waarop hij een barkruk ter hand nam en daarmede onze penningmeester, dhr. Lodewijk Vorstenbosch van zijn gebit ontdeed.

Nu zijn wij, van de S.T.B.E.T.B.V.F.G.I.H.M.B wel gewend aan een robbertje knokken, vanuit onze studententijd, echter, toen de heer van Boesschoten, een oud-collega van Ferry van de Z. zich aandiende en een zogenaamde baccho, een gereedschap uit de autobranche, hanteerde om ons gezelschap een tuchtiging toe te dienen, besloten wij eensgezind het pand te verlaten.

Vanuit de taxi zagen wij nog de politie te paard de uitspanning binnendringen en de menigte uiteenslaan.

Dit voorval heeft de stichting doen besluiten een commissie in het leven te roepen, voorgezeten door dhr. Vorstenbosch, die zal gaan beoordelen of het wenselijk is het carnaval in de huidige vorm tot voortbestaan te stimuleren. Vol verwachting ziet ondergetekende het eindrapport tegemoet.

Hoogachtend,
Arend-Jan Wittewaal van Stoetwegen.