Meer dan op de centjes passen
- Gegevens
- Gemaakt op zaterdag 09 oktober 2010 16:14
- Geschreven door PvdA
Meer dan op de centjes passen 
Het idee dat cultuur ‘goed’ is als het de ‘eigen broek kan ophouden’ lijkt bezig aan een opmars. Onder het mom ‘Frans Bauer krijgt toch ook geen subsidie’, wordt de suggestie gewekt dat er iets niet deugd aan culturele activiteiten die door de overheid worden gefinancierd, juist omdát ze door de overheid worden gefinancierd. Een idee dat (het populisme voorbij) door vertegenwoordigers van zowel linkse als rechtse partijen wordt uitgedragen, met grote gevolgen voor de Nederlandse cultuur (het kabinet Rutte gaat 20% van het cultuurbudget schrappen). Een idee dat bovenal een verwrongen opvatting over de taak van de overheid bloot legt.
De overheid heft belastingen om belangrijke voorzieningen –die er anders niet zouden zijn- te financieren en voor iedereen toegankelijk te maken. De verdubbeling van de Burgemeester Bechtweg zou er niet komen als de overheid dit niet betaalde. Er is geen projectontwikkelaar die dit voor eigen rekening wil ontwikkelen. Als je alle gebruikers zou laten betalen om gebruik te maken van de weg, dan zou het project er financieel niet uit kunnen. Toch is het belangrijk het project op te pakken: minder files, minder luchtvervuiling, meer veiligheid, enzovoort. Het is ook helemaal niet erg dat de overheid een grote rol heeft in het realiseren van collectieve voorzieningen. Het opbouwen van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog loopt parallel aan een enorme welvaartstoename voor iedereen. Grofweg komt het er op neer dat doordat de overheid stevige voorzieningen (onderwijs, zorg, sociale zekerheid, cultuur, enzovoort) heeft gerealiseerd, iedereen er beter van geworden is. Uit statistieken is af te lezen dat landen met een ‘kleinere’ overheid kampen met ‘grotere’ maatschappelijke problemen. (Voor wie meer wil weten: lees ‘Het land is moe’ van Tony Judt - http://www.uitgeverijcontact.nl/b-1095-het_land_is_moe.html ).
De overheid maakt ook fouten. Het is goed er op toe zien dat de juiste keuzes gemaakt worden en efficiënt wordt gewerkt. Dat zijn overigens wel twee verschillende vragen waar een antwoord op moet komen: ‘Wordt een waardevol maatschappelijke effect gerealiseerd?’ en ‘Voert de overheid het project op de juiste wijze uit?’. Het gebeurt nog al eens dat die laatste vraag een loopje neemt met die eerste vraag. Zo besprak de commissie Fysiek een voorstel om deel te nemen aan een investeringsfonds voor het project de Havenmeester. De een na de andere partij wilde weten hoe scherp onderhandeld was met de projectontwikkelaar. Of deze wel of niet winst zou maken. Geen enkele opmerking werd gemaakt over het maatschappelijke nut dat gediend was bij de gemeentelijke deelname aan het investeringsfonds.
Het sentiment is gegroeid, dat de overheid projecten niet efficiënt kan realiseren (en dat de markt dit beter zou kunnen). Los van de vraag of dit ‘waar’ is lijkt die efficiency (of het gebrek daaraan) wel steeds vaker bepalend voor de gepercipieerde ‘waarde’ van betreffende projecten. In de casus van de Havenmeester: Het lijkt dat het project niet beoordeeld wordt op of er woningen gebouwd worden en of de werkgelegenheid wordt gestimuleerd (het maatschappelijk effect), maar op de vraag of de gemeente binnen het budget blijft en of de projectontwikkelaar dan winst maakt. Denk maar eens aan de Betuwelijn. Iedereen weet dat het een slecht project is omdat het teveel geld heeft gekost. Maar wat is het maatschappelijke effect dat is gerealiseerd?
En laat ik het dan toch even noemen: de markt doet het niet beter en niet goedkoper (na de bankencrisis zullen toch weinigen dat bestrijden). Maar belangrijker nog: de markt pakt veel belangrijke maatschappelijke functies niet vanzelf op. Er zijn nu eenmaal collectieve voorzieningen, waarvan de waarde niet alleen maar beschreven kan worden in termen van financiële efficiency. Denk bijvoorbeeld aan cultuur.
Tilburg geeft weinig geld uit aan cultuur. In procenten van de begroting zelfs het minste van de 5 Brabantse steden. Toch levert de cultuursector een belangrijke bijdrage aan het opvangen van de financiële crisis. In de komende periode wordt bijna 7% bezuinigd op het cultuurbudget. Een bedrag dat niet volledig opgevangen kan worden door te snijden in ‘overhead’. Er zal dus gesneden gaan worden in de programmering en een aantal initiatieven zal de deur moeten sluiten.
Met waarschijnlijk nog een extra bezuinigingsoperatie voor de boeg dringt de vraag zich op hoe we om zullen gaan met de waardering van cultuur. Wat is het basisniveau waar we niet onder willen zakken? En hoe bepalen we dat? Hoe zorgen we er voor dat de discussie daarover niet eenzijdig bepaald wordt door argumenten vanuit de financiële efficiency? Overigens werkt de gemeente zo’n eenzijdige discussie wel in de hand. In de programmaverantwoording wordt het cultuurbeleid geëvalueerd aan de hand van wat kwantitatieve gegevens (bezoekersaantallen), die niet eens elk jaar voor handen zijn. De waarde van het cultuuraanbod, het maatschappelijk effect van het gevoerde beleid, wordt niet in kaart gebracht.
Paradoxaal genoeg zijn het vertegenwoordigers van de vrije markt (de ondernemers) die dit voorjaar in Tilburg het initiatief hebben genomen voor een discussie over de maatschappelijke waarde van cultuur. Ze roepen het gemeentebestuur op terughoudend te zijn met bezuinigingen op cultuur. Zij zijn er van overtuigd dat “de financiële effecten van bezuinigen op cultuur gering zijn, terwijl het negatieve maatschappelijke effect juist zeer groot is.”
Op dit moment wordt gewerkt aan een nieuwe cultuurnota. De PvdA vindt dat onderdeel van het nieuw te vormen beleid moet zijn dat ook de maatschappelijke waarde van het cultuuraanbod in kaart gebracht wordt en jaarlijks wordt geëvalueerd. Niet door de gemeente, maar door professionals van buiten. Die waarde moet vervolgens meegenomen worden bij discussies over beleidswijzigingen, bezuinigingen en toekomstige investeringen.
Arjan Pronk en Willem Bongaarts
Raadsleden PvdA