Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Ulysses - XI

Ulysses - XI

De rand van Tilburg
0.45 uur
Scylla/Charybdis

Ulysses werd achternagezeten door een rijdende trein (of, om preciezer te zijn, door de gangen van deze trein, niet door die trein zelf) en de achtervolging verliep niet in zijn voordeel. Terwijl het Tilburgse centrum met rasse schreden dichterbij kwam deed de hoofdconducteur hetzelfde. Ulysses moest zijn vlucht nog even volhouden: in Tilburg zou hij er eindelijk uit kunnen.
“Kom op, kom op, verdomme.”, hijgde Ulysses. Hij had de kop van de trein bereikt, kon niet verder rennen. Daar was het kanaal, daar was de Interpolis-toren.
Al vanaf enige afstand zag Ulysses dat het station van Tilburg er bijna even slecht aan toe was als dat van Den Bosch. Ook hier waren branden gesticht, en een woeste menigte verdrong zich op het perron. Het zou moeilijk worden uit te stappen.
De trein begon te vertragen, maar het was niet voldoende. Ulysses zag de aanstormende kolos door de gang rennen, zijn gang nu slechts vertraagd door enkele lastige passagiers.
“Mijn... donuts!”, klonk het.
“Ik moet er nú uit”, besloot Ulysses. Hij keek om zich heen. Meer reizigers stroomden richting de deuren, blokkeerden het pad van de conducteur. Naast Ulysses stond een man die zijn vouwfiets al oppakte.
“Geef me je vouwfiets!”, beval Ulysses hem.
“Rot op, man”, zei de man. Hij omarmde zijn geliefde vouwfiets.
“Moge Athena me vergeven...” Ulysses rolde een rondslingerende Spits op en sloeg de man er enkele malen mee om de oren. “Als je zo van je vouwfiets houdt, tróuw er dan mee.”
“Auw. Aúw! Wat doe je? Hou daarmee op!”
“Ik heb het helemaal gehad met die vervloekte vouwfietsen!”, zei Ulysses, slaand, “Jullie nemen altijd te veel ruimte in beslag in de trein. Ik ben het zat, stomme klojo!”
Enkele medepassagiers begonnen enthousiast te applaudisseren. “Zeg het hem! Zeg die smerige vouwfietsers waar het op staat!”
Tenslotte liet de man los en Ulysses pakte zijn fiets af. De eigenaar van het voertuig blies grienend de aftocht. Ulysses wrikte de vouwfiets open, liep toen naar de deuren, stak hier zijn pinpas tussen, en wrikte deze open. Een gapend gat opende zich voor hem. Mensen doken schreeuwend achteruit, bang als ze waren om naar buiten te worden geslingerd, maar hiervoor maakte de trein al te weinig vaart.
Nu stond Ulysses klem tussen twee gevaren: voor hem het woedende geraas van de trein en de voorbijtrekkende skyline van Tilburg, achter hem de woest tierende draak van een conducteur. Ulysses bad tot alle goden in zijn Pantheon dat ze hem bij deze stunt zouden beschermen.
De hoofdconducteur stak zijn hand uit om Ulysses vast te grijpen, terwijl onze held op de vouwfiets ging zitten en trapte, vooruit, richting de geopende mond van de trein, naar buiten...
Het was geweldig.

“Ho eens even”, onderbrak Penny, “Je reed óp een vóuwfiets uit een ríjdende trein? En ik moet dit gelóven?” Ze trok een boos gezicht maar zelfs nu, ongeduldig fronsend, haar ontblote armen over elkaar geslagen, zag ze er stralend uit, en Ulysses voelde een vreselijk verlangen haar te omhelzen.
Ulysses aarzelde. “Ja.”, besloot hij, “Het is echt gebeurd. Geloof me, Penny. Is dit het gezicht van een man die liegt?”
“Ja, beslist. Leugens.”, zei haar sjans van de avond, een vreselijk figuur van de rechtenfaculteit, met een scheiding in zijn haar en een stropdas om zijn nek. “Tijdverspilling. Een verhaal van niets.” Hij praatte op hoogst geaffecteerde, kalme wijze, en moest schreeuwen om boven het gedreun van de muziek in de Philip gehoord te worden.
“Er waren vertragingen in Utrecht, vraag het na. Sneeuwval, wisselstoringen, de hele bups. Ik heb 8 uur over deze reis gedaan! Dáárom ben ik zo laat. Maar dat is nog geen reden om met de eerste de beste idioot te gaan dansen. No offense, Anton. Je kent me, Penny. Ik zou je nooit laten vallen.”
“Je was blijkbaar je afspraak vergeten”, zei de akelige man, die Anton heette, “En dat probeer je nu met leugens goed te praten. En dat terwijl ik zo goed was me over deze fraaie dame te ontfermen.” Enkele van zijn vrienden lachten honend. Ja, ook dat nog, Anton had vrienden. Zijn wingmen. Grijnzende kerels met brillen en nette blousjes.
“Laat me nu mijn verhaal afmaken, jij ellendige hater!”, siste Ulysses, “Waar was ik?”

De vouwfiets sloeg bijna over de kop toen de voorband het perron raakte, maar Ulysses drukte zichzelf stevig in het zadel en wist overeind te blijven. Hij stuurde de fiets over het besneeuwde perron, zag de trein verder rijden en even verderop aan het perron tot stilstand komen. De hoofdconducteur stond met geheven vuist in de deuropening, achter hem de Limburgers en de 'blinde' vrouw. Ze keken hem na, terwijl Ulysses triomfantelijk lachend het perron afreed, in de richting van de Philip en zijn geliefde Penny...

“En zo is het gekomen”, besloot Ulysses, “Zo ben ik uiteindelijk ondanks alles, ondanks alle tegenslagen en verliezen, toch nog in Tilburg uitgekomen. Zonder mijn vrienden, weliswaar, maar ik heb jou nog.”
“Wat een belachelijk verhaal”, zei Anton. Hij stootte een gemaakt lachje uit. “Ha! Belachelijk! Een dronkemansverhaal! Het is een leugen, een list!”
Ook Penny leek niet onder de indruk. “Is dat allemaal echt gebeurd? Je bent echt naar Geldermalsen en Best en al die nare dorpen geweest?”
“Natuurlijk niet”, zei Anton, “Het is zo klaar als een klontje wat hier aan de hand is. Deze kerel heeft jou vanavond gewoon geditcht en nu probeert hij het goed te praten. Hij heeft het in Amsterdam op een zuipen gezet na die voetbalwedstrijd en heeft daardoor zijn trein, en zijn afspraak met jou, gemist.”
“Ik wil je best geloven, hoor”, zei Penny, “Maar het heeft niet eens echt gesneeuwd.”
“Lokaal wel.”, zei Ulysses haastig, “In Utrecht ligt erg veel sneeuw. En in ehm... Géldermalsen ook.”
“Ik heb niks gehoord over rellen met de ME in Geldermalsen.”, zei Anton, “Zoiets zou wel op het nieuws zijn, als het echt gebeurd was.”
Ulysses besloot Anton maar te negeren. Die jongen was een serieuze 'buzzkill'. Hij had er geen rekening mee gehouden dat Penny al zo snel voor de charmes van een vreemdeling zou vallen.
“Nou ja, je was laat, en zoals je ziet was deze kerel wél een heer.” Penny sloeg haar arm om Anton heen.
Anton knikte arrogant. “Ik kan je geven wat je nodig hebt, schatje. Over een jaar verdien ik genoeg om een eigen huis te kopen.”, pochte hij, “Dan ben ik één van de Partners bij Haftingh, Keverharten & De Smetselaar, de Landsadvocaat!”
“Penny...” Ulysses zocht diep naar woorden die haar konden raken. “Maar Penny, liefste Penny. Hoe zit het dan met die bijzondere band tussen ons? Voelde je die dan niet? Voelde je niet hoe ik bij elke tegenslag meer naar je ging smachten? Oh, en had ik je niet verteld dat ik onze vooralsnog ongeboren zoon heb ontmoet?”
“Oh alsjeblieft. Er klopt ook van alles niet aan dat verhaal van je. Tijdstippen die niet op elkaar aansluiten. Tientallen tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden. Het ene moment zit de trein bomvol en het volgende moment kun je er vrij door rennen. Treindeuren die met een pinpas worden opengemaakt. En ik weet niet of je wel eens geprobeerd hebt op een rijdende goederentrein te springen, maar... ik neem aan van niet, want als je dat had gedaan was je waarschijnlijk dood geweest.”
“Penny, hoor me alsjeblieft uit... Ik... ik ben nog niet eens helemaal klaar. Ik moet je het verhaal van de slachting der vrijers nog vertellen.”
“Alsjeblieft zeg.”, zei Anton, “Ik ga nu naar het toilet. Als je nog niet weg bent als we terug komen zwaait er wat.”
Ulysses staarde hem na.
Dit was zijn kans. Tijd voor het laatste verhaal.

VOLGENDE KEER: DEEL 2 VAN DE FINALE!