Ulysses - VIII

Best
23.32 uur
De Onderwereld
Ze stapten uit in Best. Het station hier was weinig meer dan een tunnel, een overdekte maar ijskoude gang. Twee perrons, twee sporen, meer niet, en vrijwel niets te vinden aan vermaak of afleiding. Hoewel beide perrons grotendeels overdekt waren was er op de een of andere manier toch een hoop sneeuw komen te liggen, door de wind misschien, of door boosaardige medewerkers van de NS.
De trein was te laat of, wat waarschijnlijker was, zou helemaal niet komen. De pakweg tachtig reizigers waren alleen, net als in Geldermalsen aan hun lot overgelaten, maar vergeleken bij station Best was station Geldermalsen Euro Disney.
Ulysses vond een bankje en kroop hierop ineen, met zijn benen tegen zijn borst. Hij rilde van de kou.
“Ik snap niet hoe je hier gewoon kunt gaan zitten”, zei Leon, “Ik ga een eind lopen, hoor, dan blijf ik tenminste warm.” Hij voegde de daad bij het woord.
Bastian ondernam ondertussen een poging zijn ouders te bereiken en liep naar de andere kant van het perron, waar hij bereik had. Af en toe hoorde Ulysses hem luidkeels 'Hallo?' roepen, maar nooit meer dan dat.
Zo bleef de leider alleen over. Zo was er niemand om te verhinderen dat de vrieskou vat op hem kreeg en de wereld voor zijn ogen begon te vervagen. Ulysses was zich er vaag van bewust dat hij door de kou bijna van zijn stokje ging, maar voelde zich te slap om iets te ondernemen. “Ik ga kapot hier.”, prevelde hij, terwijl zijn lippen barstten.
Al snel werd het middernacht, spokenuur. Toen hij lange tijd in de duisternis had gestaard besefte Ulysses dat hij de band met de wereld om hem heen deels was verloren, dat hij half slapend door een droomwereld dwaalde. Hij zag het perron nog wel, maar alle passagiers waren in schimmen veranderd, gestalten die klagend en jammerend naar Ulysses gebaarden. 'Help ons', leken ze te roepen, 'Breng ons thuis.' Drie, vier schimmen maakten zich uit de groep los en kwamen nu op hem afgelopen. Ze kwamen hem alledrie bekend voor.
De eerste was zijn blinde grootvader, die al een jaar of tien dood was.
De tweede herkende hij als Viggo, een vriend van de basisschool die in de brugklas door een automobilist was doodgereden.
De derde was Luis Suarez, de huidige spits van Ajax, die bij Ulysses' weten nog niet dood was, aangezien hij hem een paar uur eerder nog een fraaie voorzet had zien geven.
“Gegroet, Ulysses”, begon Viggo.
“Ja, gegroet.”, zei Ulysses terug.
“Wat? He? De Joden? Weg ermee!”, schold zijn grootvader, die bij leven niet alleen blind maar ook zeer racistisch was geweest.
De spits stond er, een gesigneerde bal onder zijn arm, wat ongemakkelijk bij.
“Wat gebeurt er?”, vroeg Ulysses, “Droom ik?”
“Je ervaart een soort van waanvoorstelling, aangebracht door de aanhoudende kou.”, zei Viggo.
“En door de politieke agenda van de Joden.”, voegde zijn grootvader daar aan toe. De spits haalde zijn schouders op en begon een eindje verderop de bal hoog te houden.
“Kunnen jullie me vertellen hoe ik thuis moet komen?”, vroeg Ulysses.
“Misschien. Het ligt er aan. Je bent dichterbij dan ooit”, zei Viggo. Hij kwam zelf ook dichterbij, en nu zag Ulysses dat er een gapende wond in zijn hoofd zat, dezelfde die de vrachtwagen er acht jaar geleden had achtergelaten. “Van Best ga je naar Tilburg, maar je hebt nog meerdere obstakels te overwinnen. Je moet het gezang van de Sirenen weerstaan door je oren op tijd met was af te plakken. Je moet bovendien je handen afhouden van de runderen van Helios, want daar komt maar weinig goeds van. Je moet...”
“Ja, sorry hoor, maar dit is allemaal veel te vaag”, zei Ulysses, “Ik heb het veel te koud om na te denken.”
“Je bent aan het bevriezen, Ulysses”, zei Viggo, “Kom overeind, nu het nog kan.”
“Ja, je weet wat ze met je doen als je niet voldoende levenstekenen vertoont, snotjong!”, schold zijn grootvader, “Dan trekken ze de stekker er uit! Net zoals ze bij mij deden! Dat bastaardjong dat je vader is, en die hoer van een vrouw die hij huwde!”
“Doe wat ik deed in het beslissende duel tegen PSV.”, zei de spits, “Zet je schrap en scoor binnen 83 seconden het eerste doelpunt.”
Ulysses knikte beleefd. Hij meende zich te herinneren dat Ajax diezelfde wedstrijd met 4-3 had verloren, maar hij durfde de spits niet te beledigen. Bovendien had hij het zo koud, zat hij hier zo te verkleumen dat hij liever gewoon in slaap zou vallen en alles zou vergeten. Zijn ogen vielen even dicht, en toen hij weer opkeek was er een vierde gestalte bijgekomen, een tiener. Deze droeg een vreemdsoortige pet met twee kleppen, voor en achter, en een soort overall die regelmatig van kleur leek te veranderen. Hij stond op een soort van vliegend skateboard, dat Ulysses bekend voorkwam uit de film 'Back to the Future, part II'.
“Wie ben jij nou weer?”, vroeg Ulysses.
“Ik ben Telemachos, je ongeboren zoon.”, zei de jongeman, “Zet door, Ulysses. Keer terug naar Tilburg, naar Penny, anders zal ik nooit geboren worden!”
Ulysses kon maar moeilijk bevatten wat zich hier voltrok. “Je... Ze... Hebben ze in de nabije toekomst al werkelijk hoverboards?”
“Weet ik het. Ik ben slechts een voortbrengsel van je fantasie.”, zei Telemachos. Hij draaide enkele rondjes op het hoverboard.
“Ik móet het weten.” Ulysses hapte naar adem, schudde zich toen wakker en kwam overeind, strekte zijn verkrampte gewrichten. Zijn lip bloedde, en rode druppeltjes waren in de sneeuw voor hem geland. Lang kon hij hier niet mee zitten: in de tunnel was een licht verschenen, een licht dat de geesten op slag deed verdwijnen.
Een trein was in aantocht!