Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Ulysses - III

Ulysses - III

Utrecht Centraal,
perron 19A 19.24 uur
Cycloop

Terwijl de trein op perron 19A vol stroomde brak Ulysses uit in een sprint. Hij keek niet meer om om te zien hoeveel van zijn mannen hem volgden, wist alleen dat hij die trein moest bereiken voor de deuren sloten, voor ze vol zat. Als hij eenmaal binnen was kon hij veel gemakkelijker een plaats of vijf veroveren en deze vrijhouden voor zijn vrienden. Hij bereikte de achterste deur, maar hier was het te druk dus hij besloot door te lopen. Bij één van de deuren naar de Eerste Klas probeerde hij zich naar binnen te werken. De andere reizigers lieten deze deur volledig links liggen. Het was vreemd hoe mensen in een situatie als deze nog steeds op de verschillen tussen de Eerste en de Tweede Klas letten. Je zou verwachten dat ze al blij waren om, op welke manier dan ook, in de trein te komen. Vrijwel meteen merkte Ulysses waar het probleem lag. Een man stond in de deuropening en hij hield iedereen die binnen probeerde te komen op een afstand. “Wegwezen jullie! Dit is de Eerste Klas!”, riep hij hen toe, en hij ging demonstratief in de doorgang staan.“Wat? Flikker op, man!”, riep Leon, die eindelijk uit zijn koffie-roes leek te zijn gekomen, “Dit is een noodsituatie! Laat ons naar binnen!”
“Over mijn lijk!”, riep de man, “Ik betaal dubbel voor mijn tickets, en dan wil ik de ruimte hebben.” Hij drukte op het 'Deuren sluiten'-knopje.
De deuren sloten.
Ulysses drukte op het 'Deuren openen'-knopje. Hij vermoedde dat hij deze lange, maar magere man wel kon hebben in een gevecht, als het daarop aankwam.
“Rot op!”, zei de Eersteklas man. Hij schopte in hun richting, liet de deuren opnieuw sluiten. Toen Ulysses de deuren weer had geopend had de man er een conducteur bij gehaald. Deze conducteur was een reus, een kolos, en het reserveplan van een gevecht ging zo beslist niet meer op.
“Dit treinstel is alleen voor de Eerste Klas”, zei de conducteur. Hij sloot de deur. Ulysses durfde hem niet meer open te drukken. 
“Fuck”, zei Ulysses. Hij rende naar de dichtstbijzijnde deur van een tweedeklas treinstel, maar één blik naar binnen verzekerde hem dat deze inmiddels voller stond dan een Indiase trein. Ze hadden te veel tijd verdaan bij de Eerste Klas-coupé.
“Hier komt niemand meer bij, hoor.”, zei een man die voor zijn vouwfiets nochtans de nodige plaats had ingeruimd. Ulysses had een hekel aan mensen met vouwfietsen, en het liefst had hij hem een muilpeer gegeven en hem vervolgens gedwongen zijn vouwfiets op te eten, maar dat had hen vast niet vooruit geholpen.
Bastian kwam terug van het andere eind van de trein. “Alles zit vol. Misschien is er in de laatste coupé nog één plaats voor de slankste onder ons, iemand van de tweeling dus.”
“Samen uit, samen thuis”, zei Ulysses vastbesloten, “We vinden een trein die ons allen naar huis brengt. Bij voorkeur deze.”
Ze liepen terug naar de eerste klas-coupé. Hier waren nog een stuk of tien plaatsen vrij. Als je wilde kon je zelfs zitten.
“Probeer het maar niet”, zei de conducteur vanuit de deuropening, terwijl hij enkele andere reizigers de toegang ontzegde, “Vol is vol.” De lompe bruut voorkwam zelfs dat mensen uit de andere treinstellen door dit treinstel kwamen.
“Ik moet alleen maar naar het toilet”, zei een jongetje. 
“Daar had je dan aan moeten denken voordat je in deze trein stapte”, blafte de conducteur, “Op Centraal is nog een toilet, en anders knijp je maar af tot Den Bosch.”
“Kom op, man”, drong Ulysses aan, “Er komen hier echt geen mensen meer met Eerste Klas-pasjes. Deze trein vertrekt binnen vijf minuten. Er is plaats genoeg.”
“U hebt Tweede Klas-kaartjes, dus kan ik u niet binnen laten.”, zei de conducteur, “Regels zijn regels. We gaan zo vertrekken. U wacht hier maar.”

“We komen nooit meer thuis”, zuchtte Christiaan, terwijl ze van de trein wegliepen, “Nu zul je zien dat de volgende trein pas om half twaalf rijdt. Het is na enen voor we in Tilburg zijn. Hoe laat had je ook weer met dat meiske afgesproken? Misschien moet je haar maar afbellen.”
“Over mijn lijk”, zei Ulysses, “Ik ga deze trein niet missen, maar we moeten wel snel zijn.”
Christiaan schoot in de lach. “Weer één van je befaamde listen?”
“Zeer zeker.”, knikte Ulysses, “Ik heb een conducteursjasje nodig. Een blauw jasje met het NS-logo. Ik zal mezelf als conducteur toegang verschaffen tot de trein en jullie vervolgens binnen laten.”
“Kunnen we die kerel niet gewoon knock-out slaan?”, stelde Leon voor.
“Ben je gek, man?”, zei Christiaan, “Je kunt tegenwoordig geen conducteur slaan zonder dat je in een breed uitgemeten nieuws-item verandert. Bovendien: ik zie jou die kolos nog niet tegen de vlakte werken.”
“Goed dan. Waar halen we conducteursjassen?”
“In de conducteurskantine natuurlijk. Elk groot station heeft zo'n kantine, en dit misbaksel Utrecht Centraal al helemaal. Ik geloof dat we er daarstraks voorbij zijn gekomen.”
Ze verlieten, samen met een grote groep geweigerde passagiers, het perron en liepen terug naar de informatiebalie. Halverwege stuurde Ulysses de tweeling terug naar het perron om voor oponthoud te zorgen. “Houd de conducteur bezig of iets dergelijks. Wees creatief. Zorg dat die trein het station niet verlaat voordat wij terug zijn.”
Naast de informatiebalie zag Ulysses inderdaad een deur met het opschrift 'Alleen NS-personeel'. Deze was echter wel op slot. Met deze omstandigheid had Ulysses gelukkig rekening gehouden. Hij verborg zich in een hoek, en toen een halve minuut later een NS-medewerker met behulp van een elektronisch pas het kamertje binnenging zette Ulysses nog voordat de deur was dichtgevallen zijn voet ertussen. Het was geen bijzonder elegante oplossing, maar Ulysses had haast. Hij wachtte tien seconden en waagde het er toen op de deur door te gaan.
Hij kwam uit in een viezig gangetje, dat uitkwam op een kantine waarin zo te horen de nodige mensen aanwezig waren. 
“Ik trek dit zo niet lang meer”, klaagde een NS-medewerker, “Je kunt daar niet naar buiten gaan zonder dat ze je de huid vol schelden. We hebben meer van die koffie nodig. Wiens idee was dat?”
“Ssst.”, zei een ander, “Een nieuwe voorraad wordt besteld. Tot die tijd moeten we roeien met de riemen die we hebben.”
Aan zijn rechterkant, nog voor de kantine, zag Ulysses een soort van garderobe. Hij sloop er heen. Naast regen- en winterjassen hingen er zoals hij al had verwacht ook enige conducteursjassen aan de haak. Hij greep de dichtstbijzijnde en haastte zich weer het gangetje uit. Terwijl hij de deur opende hoorde hij iemand achter zich roepen. “Ho eens even...” Zonder om te kijken ging Ulysses er vandoor. Zijn vrienden, die aan de buitenkant op de uitkijk hadden gestaan, voegden zich bij hem. 

“De trein is nog niet weg”, zei Bastian, “Tim heeft de machinist wijsgemaakt dat hij een hond over het spoor zag lopen.”
“Mooi zo”, zei Ulysses. Terwijl hij rende trok hij de blauwe jas aan, probeerde zich voor te stellen of conducteurs ook op een bepaalde manier liepen en praten, of de NS een bepaald jargon hadden. Dat laatste was ongetwijfeld zo. 'Aanrijding met een persoon' betekende 'sprong voor de trein' en 'wisselstoring' was een eufemisme voor 'teringzooi'. 
Het jasje was nogal wat te groot. Ulysses richtte zich volledig op, zodat het minder ruim zou vallen, en wandelde zo vooruit, als een soldaat die elk moment een lintje kon krijgen opgespeld. 
“Tim, geef me je hoed”, gebood hij. De helft van de tweeling droeg sinds enkele maanden een hoed, zodat hij voor de buitenwereld beter van zijn broer te onderscheiden was. Ulysses zette de hoed op en trok de klep van deze zo ver mogelijk over zijn voorhoofd. 
Ze hadden geluk. De trein stond er nog. Op het moment dat de deuren dicht gingen blies Ulysses op het fluitje, waarna ze onmiddellijk werden geopend.
Ulysses liep door naar het enige treinstel waar nog plaats was: de Eerste Klas. De kolos stond er nog steeds. Ulysses trok de klep over zijn ogen. Hij ging er van uit dat de conducteur zoveel reizigers had moeten weigeren dat hij hem inmiddels weer was vergeten. 
“Wat moet dat?”, vroeg de kolos aarzelend, toen Ulysses de trein in wilde stappen. 
“Oh pardon. Hebben wij elkaar nog niet ontmoet? Ik ben Otis Nieman”, zei Ulysses, “De nieuwe conducteur.”
De conducteur keek hem wantrouwig aan. “Mij is niet verteld dat er een nieuwe conducteur zou komen.”
“Nee, allicht niet”, lachte Ulysses, “Wordt iemand nog íets verteld in deze noodtoestand?” Hij gebaarde lachend naar de sneeuw op de sporen, naar de wachtenden in de stationshal. 
“Nieman, nietwaar? Dat ga ik toch even natrekken, als je het niet erg vindt.” De conducteur nam zijn walkie-talkie erbij en probeerde één van zijn superieuren op te roepen. De verbinding was niet al te best. 
“Ik sta hier met een meneer Nieman”, zei de conducteur in de hoorn, “Nee, Níeman! Nieman staat hier naast me. Kennen jullie hem? Is het oké als ik Nieman de trein binnen laat?”
Het was even stil aan de andere kant van de lijn. “Dat is de afspraak”, klonk het toen krakend, “Vol is vol.”
Geïrriteerd hing de conducteur op. “Blijkbaar zit het goed. Maar vol is vol. Dus je blijft in dit treinstel.”
“In orde. Ik bewaak deze uitgang wel.”, zei Ulysses. Toen de conducteur uit beeld was zwaaide hij zijn vrienden binnen, die dankbaar gebruik maakten van zijn positie. Ze klommen het treinstel binnen.
“Eerste Klas kaartjes gezien”, grijnsde Ulysses, “U mag plaatsnemen...”