Ulysses - II

Utrecht Centraal
18.49 uur
Lotofagen
In de stationshal stond een mevrouw te roepen. Ze was al oud en haar tanden zagen zwart van een leven lang roken.
“Ja, loop maar weg, dikke muts!”, riep ze een inderdaad wat dikkige conductrice na, die rustig weg waggelde om een eindje verderop met enkele andere conducteurs te gaan overleggen. De oude vrouw met de slechte tanden keek verontwaardigd om zich heen naar de andere wachtenden, waarschijnlijk hopend op bijval. Hier begon een opstand te broeien. Het geduld van de gestrande reizigers raakte op en spoedig zouden de aanwezige conducteurs en voorlichters het moeten ontgelden. Tenzij de NS snel hun zaken op orde kregen zou de stationshal een slagveld worden. Ulysses hoopte weg te zijn tegen de tijd dat de onvermijdelijke botsing plaatsvond.
“Zeg het ze!”, viel een oudere man de mevrouw bij, “Utrecht haat Brabanders! Horen jullie me? Utrecht haat Brabanders!”
Ergens had hij een punt. Hoe anders kon men verklaren dat er, ondanks de hevige sneeuwval, nog minstens vijf treinen per uur richting Amsterdam verdwenen, maar in het geheel geen naar het zuiden? Terwijl de stationshal steeds voller raakte door alle Brabanders die hier wachtten (Ulysses schatte dat er nu zo'n driehonderd reizigers stonden) verwachtte Ulysses elk moment een nieuw omroepbericht te horen dat de volledige groep wachtenden de grond in boorde. “Attentie reizigers”, zou hij dan horen, “Attentie reizigers voor de richtingen 's Hertogenbosch, Tilburg, Eindhoven en Breda... Fuck you. Jullie zijn een stel geitenneukende boeren en de Randstad haat jullie!”
Ulysses voegde zich bij zijn vrienden, die er in de tussentijd in geslaagd waren een bankje naast de trappen naar perron 15 in te nemen. Het gezelschap dat vanavond met hem was meegereisd naar Amsterdam bestond uit vijf heren, allen tussen de 21 en 25 jaar oud. Ulysses kende hen allen al sinds de middelbare school en wist dat zij, met misschien één uitzondering, als het er op aankwam voor hem klaarstonden.
Er was allereerst Bastian, de enige van de groep die na de middelbare niet was gaan studeren en nu bij een telefooncentrale werkte; hoewel het hem aan 'book smarts' ontbrak bezat hij bijna evenveel 'common sense' als Ulysses zelf. Er waren daarnaast Thom en Tim, een tweeling die thans Geschiedenis en Economie studeerde en in hetzelfde studentenhuis als Ulysses woonachtig was. Er was Christiaan, Ulysses' oudste vriend die hem al op de basisschool en de middelbare school had vergezeld en nu in hetzelfde jaar als onze held Rechten studeerde in Tilburg. En er was Leon, die al langer dan elk van hen student was en in zes jaar tijd ongeveer evenveel studiepunten had binnengehaald. Het grootste deel van zijn tijd feestte of dronk hij weg, op een nogal opdringerige en aanwezige manier. Niemand was bijzonder gesteld op Leon.
“Daar is hij dan, onze Odysseus”, zei Christiaan, die een Zweedse thriller had zitten lezen die hij zojuist bij de Bruna moest hebben gekocht. Die Bruna deed goede zaken vandaag. “Heb je al een plan geformuleerd om ons hier weg te krijgen?”
“Nog niet.”, zei Ulysses. Zijn benen waren verkrampt van al het staan maar hij bedwong de neiging om bij hen te gaan zitten. Pas als hij in een trein zat zou hij ontspannen. “Het lijkt me hoe dan ook verstandig om hier weg te gaan, buiten op de perrons te wachten. Op een paar perrons hier beneden staan al treinen klaar. Die moeten we in de gaten houden. Zodra er wordt omgeroepen dat er een trein richting Den Bosch klaar staat dan zullen ze allemaal die kant op gaan, alle mensen met bestemming Den Bosch, Tilburg, Breda, Roosendaal, Eindhoven, Heerlen, Maastricht. Deze hele hal zal zich ontruimen en een nietsontziende stampede zal zich over de trappen en door de sneeuw richting trein bewegen. Het wordt hier met andere woorden een gekkenhuis.”
“Naar buiten? Dit kan je toch niet menen?”, zuchtte Leon, die zijn hoofd op zijn tas liet rusten en zo te zien probeerde te slapen. “Verwacht je echt dat we daar beneden in de kou gaan staan? Tyf toch op, man.”
“Van jou verwacht ik helemaal niets, Leon.”, zei Ulysses, “Ik heb je mijn advies gegeven, het is aan jou om het op te volgen. Maar van de rest...”
Bijval. Een paar van zijn vrienden schaarden zich onmiddellijk aan zijn kant. “Ja, Ulysses heeft gelijk. We moeten...” Op het moment dat Christiaan en de tweeling zich oprichtten kwam er plots een karretje langs. “Koffie? Wil er iemand koffie en krentenbrood?”, vroeg de jonge vrouw met het NS-petje opgewekt.
Toen minstens drie van zijn mensen bevestigend, zelfs juichend, antwoordden wist Ulysses dat hij ze voorlopig niet van deze bank zou krijgen. Ze zouden hier op hun gemak koffie blijven drinken, en zijn advies in de wind slaan. Wat kon hij anders doen dan hier wachten tot ze waren uitgedronken? Diep in zijn hart wist dat hij zijn vrienden hier onder geen beding zou laten stranden; zoiets was gewoon 'not done', ook al wachtte Penny in Tilburg op hem. Het was nota bene zíjn idee geweest om met zijn allen naar de voetbalwedstrijd te gaan. Tot op zekere hoogte ging de aloude regel 'bro's before ho's' nog op.
Christiaan keek Ulysses vragend aan. “Één koffie moet toch wel kunnen?”, vroeg hij, “Die trein zal toch ook niet ineens wegrijden? Dat roepen ze echt wel om. En bovendien zitten we dicht zat bij de trappen. Het is al uren geleden dat ik iets heb gedronken.”
“Één koffie is okee”, zei Ulysses onwillig, “Maar daarna moeten we echt verder, dus doordrinken allemaal. Ik wil voor geen goud de eerstvolgende trein richting Bosch missen.” Hij voelde zich de meester op een schoolreisje, en hij had een plicht zijn kinderen veilig thuis te krijgen.
Zelf sloeg hij een kop koffie af. Ulysses droeg altijd een gevulde thermosfles in zijn rugzak. Hij stond niet graag voor verrassingen. Geduldig wachtte hij tot de juffrouw vijf plastic bekertjes met koffie had gevuld, tot de koffie na een minuut of vijf eindelijk genoeg bekoeld was om te drinken, tot de koffie eindelijk in diverse kelen geleegd was. Toen Leon, altijd de traagste, tenslotte zijn lege plastic bekertje in een prullenbak wierp maande hij hen tot actie.
“Nou, hebben jullie je zin gehad? Er staan al vrij veel mensen op de perrons beneden, en ik stel voor dat wij er bij gaan staan. Die trein op perron 18b staat er al te lang, en ik zag net een conducteur die kant op ga...”
Hij botste bijna op tegen de koffiejuffrouw, die met het karretje terug kwam gewandeld. “Nog meer koffie? Het moet op, mensen!”, lachte ze.
“Nee, dank u. Wij hebben al kof...”, begon Ulysses, maar Leon stak zijn hand al op. “Ja, hier! Nog één koffie, alsjeblieft.” Toen hij Ulysses' boze gezicht zag keek hij minstens even boos terug. “Wát? Het is hier zo lekker warm en comfortabel. En die perrons zijn zo koud. Ga jij maar op de uitkijk staan op het perron of zo. Wij wachten hier wel.”
“Ik vind het vervelend om roet in je eten te strooien, maat”, zei Bastian, zijn beste vriend, “Maar ik lust eigenlijk ook nog wel een koppie. Op tijd komen we toch niet meer terug, maar we kunnen ten minste het beste maken van de compensatie die de NS ons biedt.” Hij graaide twee plakken krentenbrood van het karretje en stouwde deze gretig in zijn grote mond.
Toen zelfs Adriaan, zijn beste vriend, of all people, zwichtte voor de donkerbruine verleiding gaf Ulysses het op.
“Verdomme”, zuchtte Ulysses, “Serieus? Jullie vinden een tussendoortje belangrijker dan de kans om ooit nog thuis te komen? Nou, ga je gang. Ga vooral je gang, hoor. Ik wacht hier wel.”
Hij leunde achterover tegen een pilaar terwijl zijn vrienden zich ietwat schuldbewust aan de tweede koffieronde zetten. Hij kon niet begrijpen dat zij zo rustig konden wachten terwijl er elk moment een trein kon vertrekken. Het denken aan de trein alleen al maakte hem gespannen. Het dringen voor de deur, het vinden van een plaats, het overstappen. Er zat gewoonweg geen rustmoment in deze reis.
Het leek een eeuwigheid te duren voordat de tweede kop koffie ook geleegd was. Bij elk omroepbericht dat klonk schrok Ulysses even op, maar het ging steeds maar om treinen die naar Amsterdam vertrokken.
“Ik lust er eigenlijk nog wel een”, zei Leon meteen. Ulysses dacht even dat hij een grapje maakte. Hij móest een grapje maken.
“Ik ook wel”, beaamde Thom, “Ik voel me zo slap.”
“Zo dorstig ook”, vulde Tim aan, “Ik heb van dat ene kopje eigenlijk alleen nog maar meer dorst gekregen.”
Met lede ogen sloeg Ulysses gade hoe zijn vrienden zich door de immer enthousiaste koffiejuffrouw een derde beker koffie lieten inschenken. Hij snapte deze koffie-obsessie niet. Hij had weinig met het slag mensen dat elke dag moest beginnen met een kop koffie om op kracht te nemen, het soort mensen dat niet overeind bleef zonder de vaste koffieronde elk uur. Ulysses deed alles op eigen kracht, zonder afhankelijk te zijn van enige shots van energie.
“God nog aan toe, doen jullie dit nou expres? Lopen jullie me nu te fucken? Kappen met die koffie en mee naar het perron!”
Zonder zijn vrienden nog een blik waardig te keuren keerde Ulysses zich om en stormde van de trap af. Hij werd door niemand gevolgd. Buiten was het opgehouden met sneeuwen. Hij wandelde een eind over het perron. Pakweg veertig mensen hielden zich hier op, in de glazen kooien of op de bankjes. Allen staarden ze naar de stilstaande trein. Het bordje naast de trein gaf nog altijd aan dat er om 16.22, nu al zo'n drie uur geleden, een trein richting 's Hertogenbosch zou vertrekken. Ulysses moest het nog zien gebeuren.
De mensen hier waren boos. “Ik wil geen koffie, ik wil naar huis!”, snikte een meisje van Ulysses' leeftijd.
“Ik denk niet dat ik nog thuis ga komen”, zei een vrouw met een telefoon tegen haar oor, “Nee, dat wordt dan een hotel of zo. Ja, weet ik veel, het zal wel, dit is Utrecht.”
“Die klote NS”, mompelde een goedgeklede man met een zwarte koffer, “Deze keer zullen ze het horen. Hier komen Kamervragen over!”
Na een minuut of tien over het perron te hebben gedwaald was Ulysses' woede enigszins bekoeld. Hij ging de trap weer op, terug naar zijn vrienden. Ze zaten nog altijd aan de koffie. Toen hij van een vergenoegd glimlachende Christiaan vernam dat dit al hun vierde bekertje was wist Ulysses dat er iets mis was.
“Je vierde? Is het nu niet genoeg geweest?”
“Nee joh! Ik wil er hierna nog één!”, zei Tim, “Juffrouw!”
Ulysses zag de koffiejuffrouw aan de andere kant van de hal verschijnen. Ze kwam hun richting in. Als Ulysses wilde ingrijpen moest hij snel handelen. Hij pakte Tim bij zijn arm en probeerde hem van het bankje te sleuren, maar de jongen gaf niet echt mee. “Nu, meekomen! We gaan naar huis.”
“Fuck huis.”, zei Tim loom, “Ik lig hier prima.” Hij strekte zich uit op het bankje en nam een hap van het kerstbrood. “Mevrouw, hebt u nog wat koffie voor me?”
“Lekker is het, he?”, zei de juffrouw. Ze schonk hem nog een bekertje in. “En helemaal gratis van de NS, dus neem zoveel als je wilt. Dat is wel het minste dat we voor jullie kunnen doen.”
Ulysses sloeg aan het twijfelen. Hij vertrouwde de boel al lang niet meer. De NS moest iets met de koffie hebben uitgespookt, iets om de reizigers tevreden te houden, iets om ze te bedwelmen, te voorkomen dat hun ruzie zich tegen de NS richtte. Hij keek om zich heen; waar de mensen op het perron opgefokt en woedend waren geweest oogden de gestrande reizigers in de stationshal inmiddels veel kalmer. Hier en daar zaten groepen mensen op de vloer, witte plastic bekertjes in hun handen geklemd. Vele tientallen mensen hadden zich opgesteld om de wagentjes met consumpties, steeds maar weer vragend om 'refills', geníetend.
Ulysses rook eens aan de koffie. De koffiegeur sloeg hem in het gezicht, de warme walm deed hem de kou even vergeten. Het was zo verleidelijk een slokje te nemen. Hij voelde zich slap, kon wel een shotje cafeïne gebruiken. En bovenal... de koffie rook naar thuis.
Thuis!
Met een woedende kreet smeet Ulysses het volle bekertje van zich af, regelrecht naar de prullenbak. Daarna deed hij hetzelfde met de bekertjes van zijn vrienden, nadat hij ze uit hun handen had getrokken.
“Wat doe je nou, man?”, vroeg Leon loom, zonder zelfs maar overeind te komen.
“Er zitten drugs of zo in die koffie.”, zei Ulysses, “Iets fouts. Op die manier komen we nooit thuis. We moeten hier weg, snel ook.” Hij trok zijn vrienden één voor één overeind en bewoog hen in de richting van de trap. Ze lieten zich verrassend gemakkelijk meevoeren.
Eenmaal nog draaide Bastian zich om naar de koffiejuffrouw, die hen ontevreden nakeek. “Ik moet nog één koppie hebben. Voor onderweg.” Ulysses sloeg hem met vlakke hand in het gezicht en voerde hem mee het perron op.
Het viel hem nog lastig vijf lichtjes tegenstribbelende jongens richting de trein te bewegen maar zolang er niks geks gebeurde zou hij het redden.
Alsof de duivel er mee speelde klonk de vertrouwde NS-jingle weer boven hem. Ulysses had zich voorgenomen niet langer valse hoop te koesteren, maar toch ging die nek weer omhoog.
“Beste reizigers, op perron 19A staat nu gereed de stoptrein naar Utrecht Lunetten, Houten, Culemborg, Geldermalsen, Zaltbommel, met eindbestemming 's Hertogenbosch.”
“Rennen, jongens!”, brulde Ulysses, terwijl de mensenmassa om hen heen in beweging kwam.
Utrecht Centraal
18.49 uur
Lotofagen