Ulysses - I
![]()
Utrecht Centraal
18.15 uur
“Vertel ons, oh God, jij rotzak, alsjeblieft vlug,
Toen Ulysses deze vraag uitstootte veranderden zijn woorden onmiddellijk in een witte wolk, die al snel ontbond. Onze held hief wanhopig, machteloos zijn armen ten hemel, wachtend op een antwoord, dat vrijwel onmiddellijk arriveerde, in de vorm van een sneeuwvlok. En nog een.
Het begon weer te sneeuwen. Dít was het antwoord waar hij het mee moest doen, een deken van sneeuw die zijn kansen op een tijdige terugkeer nog kleiner maakte. Ulysses vloekte. Met tegenzin keerde hij de donkere, lege trein de rug toe en liep over het grotendeels verlaten perron terug naar de overkapping. De meeste treinen stonden al urenlang stil, ondergesneeuwd, ingevroren, met afgeslagen motoren. Ulysses vroeg zich af of het de wrok van een vertoornde god was die hem hier had doen stranden, dit keer handelend in de gedaante van de Nederlandse Spoorwegen.
De omstandigheden suggereerden hoe dan ook goddelijk ingrijpen. Onzichtbare, onbeheersbare machten hielden hen aan het station gekluisterd, en elke vijf minuten klonk er weer die stem uit de hemelen, Ulysses bespottend in zijn onbewogenheid.
Ook nu klonk het omroepsignaal weer. Onwillekeurig sloeg Ulysses zijn ogen omhoog, maar zijn ogen vonden in de zwart-wit gespikkelde lucht geen gesprekspartner. Hij luisterde aandachtig: het grote blauwe bord met vertrekkende en arriverende treinen was al sinds half vier leeggevaagd, en slechts deze stem kon nu nog enige informatie bieden.
“Beste reizigers, door weersomstandigheden rijden treinen van en naar Utrecht maar in beperkte mate.”, begon het, en Ulysses hield maar weer op met luisteren.
Ulysses kon binnen een seconde al raden wat er kwam, elke keer dat hij die -ook weer zo spottend onbezorgde- jingle van de NS hoorde. Was het het bandje met de boodschap over de weersomstandigheden, of toch de mededeling dat de reizigers compensatie geboden werd in de vorm van koffie, of misschien wel de waarschuwing dat er tasjesdieven actief waren op het station? Toch zag je de gestrande reizigers steeds weer hoopvol opkijken. Misschien zou er dit keer wél een trein rijden... Misschien zouden ze nog voor tienen, voor elven, voor twaalven thuis zijn, een tijdstip dat telkens weer werd bijgesteld.
“... houdt u rekening met vertragingen en luister naar de omroepberichten voor meer informatie...”
Ulysses en zijn vrienden wilden naar huis. Ze kwamen uit Amsterdam, van een belangrijke en uiteindelijk bevredigende krachtmeting tussen Ajax en een of andere Turkse eredivisieclub met teveel 'a's in zijn naam.
Het liefst zou hij onmiddellijk terugkeren naar zijn thuisstad Tilburg; hij had daar een afspraak staan, en niet de minste. Er was op deze donderdagavond een feest in de Philip, die tent aan de Korte Heuvel. Penny, een meisje waar Ulysses meer dan een beetje in geïnteresseerd was, zou hier ook komen, maar Ulysses wist dat hij niet de enige kaper op haar kust was. Penny was net een week of twee single, en heel lang zou ze niet op de markt blijven, zoveel was zeker. Hij moest dan ook snel handelen, bij voorkeur vanavond nog zijn slag slaan, maar de NS werkten vandaag niet bepaald mee...
“Kom op, kom op, kom op. Waar blijf je, jij teringtrein?” Ulysses ijsbeerde over het overdekte deel van het perron. De meeste reizigers, waaronder de rest van zijn crew, kozen ervoor boven te wachten, in de stationshal, waar het warmer was en zo nu en dan koppen koffie werden uitgedeeld, maar hiervoor voelde Ulysses niets. Hij ergerde zich daar te veel aan het geklaag en gemopper van zijn medereizigers, hoewel hij zich op dit moment eigenlijk aan het zelfde feit schuldig maakte.
Ulysses was het Centraal Station van Utrecht beginnen te haten. Hij haatte de overvloed aan perrons (19 in totaal, hoewel hij perrons 6, 16 en 17 nog moest zien), hij haatte de veelal te smalle gangen, en de langwerpige, eindeloze perrons zonder uitgangen die als 'choke points' fungeerden mocht hier ooit een ramp gebeuren.
Het ergst was echter de kou. De kou was zo erg dat ze zijn herinnering aan een toch wel geslaagde avond besmeurde. Op aangeven van Ulysses waren hij en zijn vrienden met hun goedkope vak 428-kaartjes de een paar vakken opgeschoven, naar de lange zijde en de betere plaatsen. Alles dat Ulysses er voor nodig had gehad was een flinke portie bluf en een plattegrond van de Arena in zijn hoofd. Toen enkele rijkere snobs met betere tickets hun plaatsen in het vak waren komen opeisen had Ulysses zich er uit gebluft door overtuigend te stellen dat hij de broer was van Maarten Stekelenburg, een speler waarmee hij gelukkigerwijs enige fysieke overeenkomsten vertoonde. Zo hadden ze vanaf de eerste rangen de wedstrijd kunnen aanschouwen, zonder al te diep in de buidel te hoeven tasten.
Ulysses wist dat zijn mannen spoedig weer een beroep op hem zouden doen. Dat was de vloek van zijn reputatie. In zijn vriendenkring stond hij bekend als het brein, als de listige, als diegene die altijd met een plan kwam om hen enig ongemak te besparen. Zodra hij de stationshal weer binnen kwam zouden ze hem bespringen, zoals ze nu iedereen besprongen die ook maar enigszins op een conducteur leek (Ulysses was blij dat hij geen blauwe jas droeg).
'Regel een trein voor ons, Ulysses', zouden zijn vrienden bevelen, en 'Je kent het spoorwegennet van Nederland toch wel uit je hoofd? Zet ons op de kortste weg naar Tilburg!'
Hij kon het ze ook niet kwalijk nemen. Er stonden hier diverse treinen stil, op meerdere perrons. Conducteurs en machinisten had hij ook genoeg zien lopen, dus daar lag het niet aan. Hij wist niet wat voor spelletje de NS hier met hem speelden, maar het beviel hem niets.
Het werd kouder. Ulysses trok zijn das strakker aan, tot hij besefte dat hij zo geen adem meer kreeg, en ging toen met tegenzin de roltrap op omhoog. Halverwege zijn weg omhoog klonk de NS-jingle opnieuw.
“Beste reizigers, wij hebben een aangenaam bericht voor u.”
Ulysses draaide zich op slag om, klaar om terug te rennen naar de trein die aan het eind van het perron klaar stond.
“Ter compensatie van het ongemak kunt u gratis een snee kerstbrood krijgen bij de daarvoor bestemde karretjes...”
Ulysses zuchtte.
Het zou nog een lange nacht worden...