Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Nepstadsdichter ontmaskerd...

Nepstadsgedicht

De ontmaskering van de nepstadsdichter

Het heeft even geduurd maar "tussen de bedrijven door" heeft Prof. Dr. Joseph (“zeg maar Jef hoor”) van Calster tijd gevonden om de tekst van de Tilburgse nepstadsdichter aan een onderzoek te onderwerpen. “Klinkt uitputtender dan het in werkelijkheid was hoor. In feite hebben mijn studenten de tekst geanalyseerd aan de hand van een linguïstisch logaritme dat is ontwikkeld door de Faculteit Letteren van de Universiteit van Leuven. Daarna zijn de uitkomsten hiervan vergeleken met een aantal teksten van Tilburgse scribenten, zoals deze door u zijn aangeleverd”.

“En?”, vraag ik vroeggretig.
“We hebben een mogelijke dader gevonden inderdaad. Maar niet met 100% zekerheid. Daarbij moet u bedenken dat het computerprogramma is ontwikkeld voor de Franstalige linguïstiek. Toch is er voldoende verwantschap tussen beide talen om de onderzoeksresultaten alleszins betrouwbaar te achten”.
Ik kan mijn ongeduld nauwelijks tomen: “Wie?”
Van Calster glimlacht. “Niet te snel. Wellicht is het nuttig om eerst in te gaan op de gebruikte onderzoeksmethode”.

Jef van Calster doet al geruime tijd linguïstisch onderzoek aan de Universiteit van Leuven. Vaak is hij geraadpleegd als getuige-deskundige bij justitieel onderzoek.
“Je moet hierbij niet denken aan moord en zo. Nee, vaker gaat het om taxfraude, belastingfraude bij u, toch?”.
Het instituut van van Calster hanteert daarbij een uitgebreid scala aan onderzoeksmethoden.
“Nee, geen batterij wetenschappers die in lange rijen in een muffe studiezaal hoog opgestapelde stoffige teksten doorwrochten. De feitelijke analyses door mijn medewerkers gebeuren aan de hand van eerdergenoemde computerprogramma’s”.

Op basis van de aangeleverde teksten van zowel de Tilburgse nepstadsdichter als van een twintigtal Tilburgse schrijvers koos van Calster voor de deductief-omissieve tekstanalyse (DOT).
Van Calster: “De DOT is een veelgebruikte methode, die onverwacht grote resultaten oplevert, vooral daar waar het gaat om vergelijkend linguïstisch onderzoek. In het kort komt het neer op het opsporen van leemtes in een geschreven of gesproken tekst. Gebleken is dat taalvaardigen veel royaler zijn in het gebruik van zowel gesproken als geschreven taal dan normale taalgebruikers. Dat we de DOT in dit geval van toepassing vonden, heeft zeker ook te maken met de Nederlandse taal: Hollanders zijn per definitie al zuinig met woorden. Dat heeft natuurlijk een historische achtergrond. Ja, de Nederlanders zijn linguïstisch gezien de ‘Schotten’ van het taalgebruik! (…) Enfin, ik kan dit nader duiden aan de hand van een voorbeeld. Neem een zin als ‘Gisteren ook in ’s-Hertogenbosch?’. Of moet ik zeggen Den Bosch? Enfin, n’importe. Wat de boodschapper in feite bedoelt te vragen is natuurlijk “Ben jij – of u, of eventueel zelfs jullie - gisteren ook in Den Bosch geweest?” De omissie in de gebruikte zinsnede moge duidelijk zijn. De vragensteller gaat kort door de bocht in de veronderstelling dat de respondent hem of haar begrijpt. Maar achter deze vier zuinige woorden ligt een hele wereld van gekende en veronderstelde feiten. Immers, een vraag als ‘Gisteren ook in ’s-Hertogenbosch?’ veronderstelt voorkennis. Je stelt die vraag niet aan een willekeurige passant, maar aan iemand waarvan je veronderstelt dat die reden had om in Den Bosch te zijn. Sterker, de vragensteller heeft zelfs een vermoeden waaróm de respondent in Den Bosch is geweest. D’accord. Stel, wederom een premissie, stel dat er in de Brabanthallen een concert was geweest van hoe heet die populaire Tilburgse zanger ook weer? Guus…?”
Nepstadsgedicht“Guus Meeuwis?”
“Exact, Guus Meeuwis. De volledige vraagstelling had dan moeten luiden ‘Ben jij gisteren ook naar het concert van Guus Meeuwis in de Brabanthallen in Den Bosch geweest?’ Uit deze zin zijn dus 13 woorden verdwenen."
"Maar er is nog méér aan de hand. Want je vraagt niet aan een liefhebber van heavy metal of hij of zij bij een concert van Guus Meeuwis is geweest. Kortom, de vragensteller had de premisse dat de respondent kennelijk een liefhebber is van Guus Meeuwis, anders zou zijn vraag overbodig zijn geweest. (…) Deze vorm van taalgebruik noemen wij ‘beperkt omissief taalgebruik’ (BOT). Met andere woorden, het met zo weinig mogelijk woorden een boodschap overbrengen, die de ontvanger begrijpt en duidelijkheid verschaft. Dit in tegenstelling tot het ‘uitgebreid omissief taalgebruik’ (UOT), het juist met zo veel mogelijk woorden verhullen van een boodschap. Deze wordt door de ontvanger niet begrepen en verschaft deze geen duidelijkheid. De omissie bij het UOT zit ‘m dus niet in de beperking van het aantal woorden, maar in het ontbreken van de boodschap. Meestal niet zonder bedoelingen. Vooral politici, ook in België, maken van UOT veelvuldig gebruik”.

Het begint mij te duizelen. Wat is nu de relevantie van DOT, BOT en UOT voor het onderzoek naar de Tilburgse nepstadsdichter? Het antwoord laat niet lang op zich wachten.
“Geduld, ik kom zo tot de pointe van ons onderzoek. De methodiek van ons onderzoek dient vooraleerst begrepen te worden, om het waarheidsgehalte van het onderzoeksresultaat correct te kunnen valueren. Het BOT en het UOT worden door de Fransen ook wel ‘langue courte’ respectievelijk ‘langue eternelle’ genoemd. Door ons ook wel eens weinig respectvol vertaald als ‘praten met de korte tong’ en ‘spreken met de lange tong’. Let op de twee onderscheiden vormen. ‘Praten’ en ‘spreken’. Ogenschijnlijk wordt daarmee hetzelfde bedoeld, maar er zit een wereld van interpretatieverschillen tussen. Maar, allez, dat gaat te ver voeren”. 
“Alsof je een lange tong uitsteekt naar een ander”, probeer ik, het spoor nagenoeg bijster. 
“Wel, u zegt het met een vraag in uw ogen, maar feitelijk zit u dichter op de waarheid dan u zelf veronderstelt. Enfin, terug naar de tekst van de zogenaamde nepstadsdichter”.

De enige echte Tilburgse stadsdichter: Cees van RaakIk voel het hoogtepunt naderen. Om niet vooringenomen vooruit te lopen op een naam of de kwaliteit van diens dichterschap, vraag ik aan van Calster naar zijn indruk van de kwaliteit van het ‘nep’-gedicht.
“Daar kan ik vanzelfsprekend geen uitspraak over doen. Het zou een individuele perceptie zijn en daar houden wij wetenschappers ons verre van, dat begrijpt u wellicht. Maar wél kan ik een andere kwalitatieve duiding geven: als poging de originele stadsdichter, de heer van Raak, te imiteren is dit gedicht aan te merken als allerbelabberdst. (…) Dat de nepstadsdichter het wel degelijk heeft geprobeerd, is evident. Neem bijvoorbeeld het begin. ‘Klaroenen schallen’. Onmiskenbaar een adequate duiding van de oorsprong van van Raaks oeuvre. Maar met ‘Kurken knallen’ gaat het al gelijk helemaal mis. Dat was voor ons de reden om voort te gaan met de analyse van de andere teksten. We vergeleken deze vervolgens met de gewraakte tekst. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wij slechts bij toeval en pas in de voorlaatste alinea definitief onze vooralsnog voorbarige conclusies konden staven: ‘hoor je het geklink elek lingeling van de glazen’. Met name in het cursieve geklink elek lingeling lag de oplossing”.

En dan haalt van Calster de tekst te voorschijn van één van de twintig door mij aangeleverde afleveringen uit de TilburgZoap. Hij wijst met gekromde vinger naar een passage op het door vele studentenhanden beduimelde velletje papier. “Ziet u het?”
En ja, ik zie het. Ik probeer de naam te vinden onderaan de tekst. Maar deze is door van Calster of een van zijn medewerkers kennelijk weggelakt. Ik zie iets aan voor een ‘a’, maar ik zie niet eens of het een hoofd- of kleine letter ‘a’ is. 
“En nu wilt u de naam weten van de scribent?" Van Calster glimlacht mij met een verontschuldigende blik toe. "Helaas, ik mag u deze naam niet verklappen. Althans, niet voor algehele publicatie. Want honderd procent zekerheid kan ik u niet geven, dat spreekt voor zich”. 
Ik kan nauwelijks de neiging onderdrukken de woorden uit van Calsters grimlachende mond te trekken. Dautzenberg? De Stapschrijver? Peer de Graaf? Mogelijk van Raak zelf?

Als Jef van Calster de naam laat vallen, kan ik een een bijna gierende lach niet onderdrukken. “Het verbaast u niet?”, vraagt van Calster fronsend. “Dat is te zeggen”, proest ik met een vergeten slok wijn, “ja en nee. Maar die laatste zin kan ik nu ook beter plaatsen: ‘Zing, lach en bezondig!!’…”. 

Zie ook: Nepstadsdichter in Tilburg