Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Tilburg na de tongval

Tilburg na de tongval

Jaren geleden kwam ik met grote regelmaat in Amsterdam en zoals altijd vergaapte ik mij steeds met volle teugen aan de schoonheid van stads architectuur. Tja, dan was het in Tilburg toch maar een beetje behelpen.

Een vriend van mij was kort daarvoor vanuit benauwend Brabant daarheen verhuisd in de ijdele hoop zijn provincialisme op te stuwen naar het meest ruime grotestadsethos.
Geconfronteerd met zijn eerste stap in die richting verbeet ik bijna mijn eigen tongval: in luttele weken tijd had hij de zijne verruild voor een, naar ik aannam, nog niet bestaande Amsterdamse. In het bijzonder de zachte ‘g’ had hij orenschijnlijk moeiteloos getransformeerd tot een uit zijn mond mallotig klinkende en nét iets te lang aangehouden ‘gggeejjj’, waarbij zijn lippen verkrampten tot een pijnlijk aandoende grimas.
voetschraper-98Ik was verbijsterd. Kon iemands tong lager vallen…!?
Hij nam mij met bijbehorende schroom mee naar zijn tot stamkroeg gebombardeerd café aan de Prinsengracht. Ter compensatie van mijn gezelschap keek hij grootstedelijker dan ooit. Van de weeromstuit besloot ik mijn provinciale komaf niet langer te verloochenen en bestelde - net iets te overdadig luid - “doe men tweej pilskes en vattur vurroeweige ok mar inne”.
Mijn vriend verkrampte. De barman zette zich schrap,  schraapte zijn keel voor de tweede keer, keek mij met nauwelijks verholen medelijden aan en richtte zich vervolgens tot de overige clientèle in een onmiskenbaar té-amsterdams-van-brabantse-oorsprong: “Ik ken iemand met ’n houte poot. En da’s gotverggeetuh errug. Maar weettie wat erruger is? Motte prate met ‘n zaaggggte ggggeej…!”

Hij schraapte opnieuw zijn keel. De bar lag dubbel en met volgehouden en beslist goedbedoelde meewarigheid keek de keelschrapende barman mij opnieuw aan en voegde er vertrouwelijk aan toe: “Dat’s niet persoonlijk bedoel hoorey, dat’s een grapje dat ik hier altij maak als hiero een Belg kom. Assie, van het huis!”. Mijn reactie had ik zorgvuldig voorbereid: “Hallo, wij krijgen ook regelmatig iets hard hoor, proost…!”
Ik had gerekend op een ovatie, maar nee, het hele café bleef mij aankijken alsof ik uit België kwam.
Mijn vriend lachte besmuikt. Ik vertrok evenwel geen krimp, als wilde ik getuigen van evenzeer welgemeend medeleven. De keelschraper keek triomfantelijk om zich heen, alsof hij te kennen wilde geven dat hij mijn repliek volledig begreep, maar beslist niet leuk vond.

Enfin, wat ik maar wilde zeggen, in Amsterdam staan inderdaad een paar leuke pandjes en die miste ik - terug in Tilburg - vaak meer dan node.
Tót het moment dat Berry van Oudheusden mij vroeg om de website voor het Goirkestraatproject te maken. Zijn aanvankelijk in mijn ogen bijna pathetisch aandoende liefde voor Tilburg en haar architectuur overtuigde mij nog maar nauwelijks.

Hoewel ik al jaren in het Smidspad woonde en mij met grote regelmaat te voet, met de fiets of met de auto door de Goirkestraat bewoog, was mij weliswaar opgevallen dat dit een van de oudste straten van Tilburg moest zijn, maar écht zo bijzonder als Berry vond ik het allemaal niet. Zeker niet met Amsterdam in mijn achterhoofd.
En laten we wél wezen, ook vergeleken met Den Bosch of Breda bleef Tilburg in mijn architectuurbeleving toch slechts een even eigenaardig als armzalig samenraapsel van dorpsaanzichten.
Gaandeweg mijn werkzaamheden voor de website en onder voortdurende aanmoediging van Berry betrapte ik er mij evenwel op, dat ik niet alleen meer en beter ging kijken, maar ook méér en beter ging zien.
Toen ik er vervolgens met mijn digitale camera op uittrok om detailfoto’s te maken, kreeg Berry’s aanstekelijk enthousiasme steeds meer vat op mij. Jezus, dacht ik, dít heb ik allemaal nog nooit gezíen! En van alle details in, aan en op de gevels en het plaveisel van de Goirkestraat wist Berry ook nog eens de oorsprong, de geschiedenis en de betekenis...!

Zoals bijvoorbeeld die van de voetschraper in de Goirkestraat…Voor mij was dat ding een verraderlijk soort boobytrap, waar je meterslang omheen liep. 
Totdat Berry mij uitlegde dat dit meccano tuinhekje voor de woning van de familie Pessers een voetschraper was: bezoekers konden hieraan, voordat zij de woning betraden, hun schoenen schoon schrapen.
De Goirkestraat kwam voor mij tot leven en vanaf die ojee-erlebnis kijk ik beter en zie ik meer wanneer ik door de Goirkestraat of over Korvelseweg fiets. Of door welke meer of minder authentiek gelaten Tilburgse dorpsstraat ook.
Bovendien - denkend aan mijn grootstedelijke ontdekkingsreizen - hebben wij toch maar mooi de hoogste woontoren van Nederland. En is er in de verre omtrek van Tilburg mooiere nieuwbouw dan die van Interpolis te vinden…? Eindelijk kon ik mezelf betrappen op tilburgoneigen grotestadschauvinisme.

Inmiddels kom ik vanwege gelukkige privé-omstandigheden weer regelmatig in Amsterdam.
Op het KNSM-eiland, waar dagelijks busladingen Amerikaanse, Japanse en andere multinationale toeristen, alsook projectontwikkelaars, architecten en stadsplanologen zich door die ene straat wurmen om één van Amsterdams meest prestigieuze architectuurfenomenen te bewonderen. Ik heb daar een prachtig uitzicht op ’t IJ, vanuit een alleszins acceptabel tot wooncomplex omgebouwd voormalig douanegebouw.

Toch voel ik er voortdurend de opwelling, nee de lust, om terug te gaan naar dat ene café aan de Prinsengracht en met nauwelijks verholen triomfalisme, nee, met grootstedelijke arrogantie tegen die keelschraper te zeggen: “Tjèh, die gebouwkes bij jullie op ut KNSM-eiland zien ‘r vur Amsterdamse begrippe best schôn ûit. Êigeluk bes wel nie lillik nie! Maor ge zot ‘r moete wône! Neej, nie dan…?! En ik hoop vurroe dâgge van menne zaagte gee ginne harde kregt. Doe vur mèn nog mar ‘n pilske van't huis en vat ‘r vurroeweige ok mar inne...!”.